Wij mensen zijn doorgaans vaten. Waarin we graag opvangen en vasthouden. Kennis, concepten, ook het concept dat we ‘liefde’ noemen. Dat moet er dan op een bepaalde manier uitzien. Eenmaal vastgelegd slaan we het op in ons vat.

Binnen relaties worden we dan al snel communicerende vaten. Niet in de zin van goed overleg, maar in natuurkundige betekenis. De vloeistofspiegel moet wél aan beide kanten even hoog staan. We moeten wél evenveel terugkrijgen als we investeren. En we moeten elkaar begrijpen. Op hetzelfde ‘gevoelslevel’ zitten. Anders zeggen we dat er ‘stagnatie’ optreedt of er ‘geen verbinding’ is. Menen we dat dat andere vat er anders uit moet zien. Of gaan we op zoek naar een ander vat. Of – als we heel verlicht zijn – denken we dat ons eigen vat een andere vorm moet krijgen. Daar gaan we dan vervolgens aan werken.

Maar wat als de bodem nou eens op een dag onder het vat wegvalt? Daar is niet persé een dramatische gebeurtenis voor nodig (“De bodem werd onder me weggeslagen!”) Als er nou eens geen sprake is van slaan, maar van een spontaan wegvallen?

Dat kan gebeuren als je gaat zien hoe de menselijke ervaring tot stand komt. Als je ziet dat het voor dat andere ‘vat’ op exact dezelfde manier werkt als voor jou. Dan kun je zomaar op een dag ontdekken dat je een cilinder bent. Een open cilinder. Een koker waarin niets vastgehouden kan worden. Waarbinnen een vrije doorstroom aan ervaringen is. Alles verloopt makkelijker, vloeiender. Dat voel je, ervaar je gewoon. Je hoeft het niet te bevatten.