In de appgroep van het dichterscollectief waar ik lid van ben stuurde iemand onlangs een gedicht. Daarop aansluitend volgde een vraag. Ik begon het gedicht te lezen en er gebeurde iets dat lang niet altijd gebeurt als ik een gedicht (voor het eerst) lees. Er ontspon zich direct een levendig tafereel voor mijn ogen. Er was ook een sensatie in mijn lijf. Het maakte zoals we dat noemen ‘iets los’. Je zou ook kunnen zeggen: er stroomde iets.

Toen las ik de vraag die betrekking had op de grammatica. Moest iets wel of geen meervoud zijn? En met het lezen daarvan werd – paf! – de betovering die ik voelde verbroken. Vond het jammer, maar ging me direct afvragen of dat meervoud klopte of niet. Voor mijn gevoel wel. Was het een perfecte zin, volledig passend binnen het grotere geheel. Maar daar ging het nu niet om. De vraag was of het taalkundig juist was.

Het illustreerde voor mij helder wat we vaak doen. Er is een bepaald (in dit geval fijn) gevoel. Vervolgens duiken we de analyse in. En bevinden ons daarmee onmiddellijk ‘in de vorm’.

Niet dat er iets mis was met de vraag. Zelf wil ik ook graag dat mijn gedichten grammaticaal kloppen. Er ontstond ook een grappige appwisseling naar aanleiding van het gevraagde. Maar we verliezen ons vaak zo gemakkelijk in de vorm. In hoe het nou eigenlijk zit. We gaan na-denken over iets dat ook alleen gevoeld kan/mag worden. Zo stagneert niet zelden wat eerst stroomde. In dit geval zag ik hoe ik zelf direct ging vergelijken. Ik kwam met andere voorbeeldzinnen. Hoe zit het hier dan?

Niks mis mee. Maar wel jammer om losgerukt te worden van de fijne sensatie. Van de onbevangen stroom. Ik ga het gedicht opnieuw lezen. Ben nieuwsgierig naar wat er dan gebeurt. En de witte cherubijntjes waar het in dit gedicht om ging? Ik vermoed dat ze zó opgaan in hun trompetspel dat het ze totaal niet uitmaakt of wat ze doen grammaticaal gezien klopt.